Ik was op zoek naar een recensie over dat boekje van Bill Janovitz over Exile On Main St. (Binnenkort weer jarig.) Blijkt Sporenburg er iets over geschreven te hebben. Alleen werkt de subjectivistenlink natuurlijk niet meer en kan ik hem ook niet vinden in Toekomstdagen. Dus dan hier maar: Is het wat?
― clismo, Tuesday, 19 February 2008 11:19 (eighteen years ago)
En andere tips zijn ook welkom, want die boekies kosten natuurlijk niks.
― clismo, Tuesday, 19 February 2008 11:21 (eighteen years ago)
Maarrrr, ik heb mijn archief. ;) Dus hier is ie, die htmltags had ik effe geen zin om te veranderen (en waarschijnlijk ook nog met spelfauten.) Oh ja: die Led Zeppelin IV is een must. Die van Low vond ik ook erg interessant. Loveless is een aanfluiting (maar wel met interessant Shields interview).
<I>Exile on Main St.</i> ontleed
Ik heb tot nu toe niet echt de behoefte gevoeld om een boek uit de veelgeprezen 33 1/3 serie aan te schaffen. Het is weer diezelfde parade van klassieke albums (het rockistische evangelie volgens Mojo en Uncut) waar al veel te veel woorden aan zijn verspild (behalve <i>Loveless</i> natuurlijk maar die 33 1/3 gaat qua verschijningsdatum al de kant op van de opvolger van de plaat waar het over handelt.) De invalshoek schijnt vrij te zijn maar weinig schrijvers lijken tot nu toe, in tegenstelling tot Erik Davis’ ontleding van de occulte betekenissen van <i>Led Zeppelin IV</i>, verder te komen dan een veredeld <i>making-of</i> verhaal. En studioverhalen interesseren me werkelijk geen hol, ook in het geval van de Rolling Stones, zoals Jean-Luc Godard bewees met zijn <i>One Plus One</i> waarin te zien is hoe tergend saai een nummer als ‘Sympathy For The Devil’ tot stand komt. De uitzondering is <I>Exile on Main St.</i>. Bovendien werd dit boek ook nog eens door een muzikant geschreven, Bill Janovitz van Buffalo Tom, en ik werd wel erg benieuwd of hij die muzikantenblik wist te vertalen naar een nieuwe manier van luisteren. Meteen maar <I>Exile on Main St.</i> op dubbel-LP aanschaft om opnieuw kennis te maken, en het is opnieuw, met zo’n prachtige verweerde hoes, het geluid, ondanks een kraakje, vele malen mooier dan de laffe cd-versie die ik jaren lang heb gedraaid, maakt er een totale andere plaat van.
“The single greatest rock & roll record of all time, okay?” Goede binnenkomer. En waarom ook niet? Persoonlijk zie ik het liever als onderdeel van een groot project dat de vier beste rockplaten aller tijden omspant. Daarvoor en daarna hebben ze leuke dingen gedaan maar <i>Beggar’s Banquet</i> (1968), <i>Let It Bleed</i> (1969), <i>Dirty Fingers</i> (1971) en <I>Exile on Main St.</i> (1972) zijn de Stones op hun allerbest, onovertroffen, de essentie. Janovitz houdt een correcte (je zou kunnen zeggen, wat brave) balans tussen subjectivisme en musicologie maar verliest daardoor ook weinig ruimte (al is het bijvoorbeeld jammer dat de toenmalige wat terughoudende receptie van de plaat niet aan bod komt.) Er is een adequate beschrijving van zijn eerste kennismaking met de plaat, hoe de jonge Bill niet kan geloven dat zijn broer met kerst de juist door hem zo vurig gewenste <I>Exile on Main St.</i> krijgt en vervolgens na onderhandeling ruilt voor al zijn Led Zeppelin albums. Waarna de tekst snel overgaat naar de context van <I>Exile on Main St.</i> en Janowitz op gezette tijden een korte persoonlijke observatie plaatst die nooit stoort.
Janovitz start heel mooi met het artefact <I>Exile on Main St.</i>. Voordat je de muziek op de pick-up legt heb je immers een hoes in handen (of ben ik nu echt hopeloos 20ste eeuws?) En dit is een <i>klassieke</i> hoes. De fotografie wordt uitgebreid besproken en niet zonder reden. Wat duidelijk wordt is dat <I>Exile on Main St.</i> op verschillende niveau’s is verankerd (zonder dat het dat geforceerde uitstraalt van een conceptalbum.) De collage van een verloren ondergronds Amerika spiegelt de lappendeken van de twee platen en is in zekere zin het resultaat van de architectuur van Villa Nellcôte, Keith Richards opulente woning aan de Côte d’Azur, wat het nieuwe Stones hoofdkwartier was geworden nadat ze om belastingredenen (en in goede Byroniaanse traditie) Engeland waren ontvlucht. Janovitz stipt sommige zaken van de mythe Nellcôte aan (de chaos, de drugs, de aristocratische decadentie, de dagindeling van vampiers) die in andere boeken ruim aan bod komen (neem een willekeurige Richards biografie, de Gram Parsons biografie <i>Hickory Wind</i> of Nick Kents sublieme ‘Twilight in Babylon: The Rolling Stones after the Sixties’ voor sappige details.) Maar wat Janovitz vooral benadrukt is hoe het gebruik van Nellcôte als totaalstudio (niet alleen de zweetkelder waar de band repeteerde en opnam, maar ook hallen, kamers en verscholen hoeken) resulteerde in een caleido<i>sonisch</i> geluid. Een geluid waar professionele producers en opnametechnici met hun fetisj voor perfectie zich nog over verbazen maar die er juist voor zorgt dat <i>Exile on Main St.</i> klinkt als geen andere rockplaat. De muziek heeft een aura, een instant ouderdom, een warme waas, die je meestal buiten rock tegenkomt in de Black Ark producties van Lee “Scratch” Perry, of de eerste singles van Carl Craig.
Het grootste gedeelte van het boek(je) besteedt Janovitz aan de analyse van alle afzonderlijke tracks van het album. Het interessantst daarbij zijn de details die hij benoemd: mensen die per ongeluk tegen een microfoon aanlopen, een ongelukkig gebruik van een compressor en vooral de “spookstemmen”, overblijfsels van eerdere opnamen die onder de definitieve vocalen zijn blijven bestaan. Janovitz wijst er terecht op dat de structuur, van echte liedjes die worden afgewisseld met bluesmantra’s, zorgt voor het unieke karakter, het narratieve ritme van het album als het ware. Mick Jagger zelf blijkt terugkijkend sceptischer wanneer hij stelt dat <i>Exile on Main St.</i> “enigszins overgewaardeerd is en eigenlijk maar een paar goede liedjes kent.” Waarom is Jagger niet zo enthousiast? Aan de ene kant wordt de plaat vooral beschouwd als het project van Keith Richards en ontkom je niet aan het idee dat Jagger met enige afgunst keek naar de steeds grotere rol die zijn vriendschap met Gram Parsons speelde. Janovitz schrijft dat <i>Exile on Main St.</i> in zekere zin de inlossing is van Parsons’ visioen van “Cosmic American Music” en weet steeds aan te wijzen welke tradities in die synthese worden omgesmolten. Aan de andere kant probeert Janovitz duidelijk te maken dat juist Jagger in topvorm is, zijn teksten vol slimme woordgrappen en verwijzingen stopt en zeker aan het einde van de vierde plaat zich van zijn meest gevoelige kant laat zien. Zou de grote drager van maskers zich later misschien generen voor die momenten van zorg en “echte gevoelens”?
Het was volgens mij Martijn Ter Haar die ooit stelde dat “<i>Exile</i> mij te heroïne is.” Na lezing en weer herhaaldelijke beluistering van het album voelt dat teveel als een reductie. Te vaak klinken de Stones hier opgefokt, de vermoeide ballads en utopische verzuchtingen worden afgewisseld met pure amfetamine blues. Het is steeds vallen en, dit maakt <i>Exile on Main St.</i> superieur aan de meeste depri-dope albums, opstaan. Zoals Janovitz tegen het einde schrijft:
“Truth is, we all struggle. We all know friends, lovers, and family members for whom life is a fight against the shadows. <i>Exile on Main St.</i> is a masterpiece in part because, as with many classic rock & roll records, it makes us feel tat we’re not so alone. With the aid of <I>Exile</I>, we feel we can survive with dignity and no little style. Most of us, after all, have felt like exiles on our hometown’s Main Street.”
― OMC, Tuesday, 19 February 2008 11:45 (eighteen years ago)
Maarrrr, ik heb mijn archief. ;) Daar had ik stiekem een beetje op gehoopt. ;-) Dankjwel. Ik ga het vanavond lezen. Dat boekje van Erik Davis was inderdaad erg grappig. Ik ga maar eens kijken of ik Techngnosis hier bij de bieb kan scoren.
― clismo, Tuesday, 19 February 2008 12:01 (eighteen years ago)
Nu met de goeie code voor de leesbaarheid (of je moet zo'n nerd zijn die de tags gelijk interpreteert ;) ):
Exile on Main St. ontleed
Ik heb tot nu toe niet echt de behoefte gevoeld om een boek uit de veelgeprezen 33 1/3 serie aan te schaffen. Het is weer diezelfde parade van klassieke albums (het rockistische evangelie volgens Mojo en Uncut) waar al veel te veel woorden aan zijn verspild (behalve Loveless natuurlijk maar die 33 1/3 gaat qua verschijningsdatum al de kant op van de opvolger van de plaat waar het over handelt.) De invalshoek schijnt vrij te zijn maar weinig schrijvers lijken tot nu toe, in tegenstelling tot Erik Davis’ ontleding van de occulte betekenissen van Led Zeppelin IV, verder te komen dan een veredeld making-of verhaal. En studioverhalen interesseren me werkelijk geen hol, ook in het geval van de Rolling Stones, zoals Jean-Luc Godard bewees met zijn One Plus One waarin te zien is hoe tergend saai een nummer als ‘Sympathy For The Devil’ tot stand komt. De uitzondering is Exile on Main St.. Bovendien werd dit boek ook nog eens door een muzikant geschreven, Bill Janovitz van Buffalo Tom, en ik werd wel erg benieuwd of hij die muzikantenblik wist te vertalen naar een nieuwe manier van luisteren. Meteen maar Exile on Main St. op dubbel-LP aanschaft om opnieuw kennis te maken, en het is opnieuw, met zo’n prachtige verweerde hoes, het geluid, ondanks een kraakje, vele malen mooier dan de laffe cd-versie die ik jaren lang heb gedraaid, maakt er een totale andere plaat van.
“The single greatest rock & roll record of all time, okay?” Goede binnenkomer. En waarom ook niet? Persoonlijk zie ik het liever als onderdeel van een groot project dat de vier beste rockplaten aller tijden omspant. Daarvoor en daarna hebben ze leuke dingen gedaan maar Beggar’s Banquet (1968), Let It Bleed (1969), Dirty Fingers (1971) en Exile on Main St. (1972) zijn de Stones op hun allerbest, onovertroffen, de essentie. Janovitz houdt een correcte (je zou kunnen zeggen, wat brave) balans tussen subjectivisme en musicologie maar verliest daardoor ook weinig ruimte (al is het bijvoorbeeld jammer dat de toenmalige wat terughoudende receptie van de plaat niet aan bod komt.) Er is een adequate beschrijving van zijn eerste kennismaking met de plaat, hoe de jonge Bill niet kan geloven dat zijn broer met kerst de juist door hem zo vurig gewenste Exile on Main St. krijgt en vervolgens na onderhandeling ruilt voor al zijn Led Zeppelin albums. Waarna de tekst snel overgaat naar de context van Exile on Main St. en Janowitz op gezette tijden een korte persoonlijke observatie plaatst die nooit stoort.
Janovitz start heel mooi met het artefact Exile on Main St.. Voordat je de muziek op de pick-up legt heb je immers een hoes in handen (of ben ik nu echt hopeloos 20ste eeuws?) En dit is een klassieke hoes. De fotografie wordt uitgebreid besproken en niet zonder reden. Wat duidelijk wordt is dat Exile on Main St. op verschillende niveau’s is verankerd (zonder dat het dat geforceerde uitstraalt van een conceptalbum.) De collage van een verloren ondergronds Amerika spiegelt de lappendeken van de twee platen en is in zekere zin het resultaat van de architectuur van Villa Nellcôte, Keith Richards opulente woning aan de Côte d’Azur, wat het nieuwe Stones hoofdkwartier was geworden nadat ze om belastingredenen (en in goede Byroniaanse traditie) Engeland waren ontvlucht. Janovitz stipt sommige zaken van de mythe Nellcôte aan (de chaos, de drugs, de aristocratische decadentie, de dagindeling van vampiers) die in andere boeken ruim aan bod komen (neem een willekeurige Richards biografie, de Gram Parsons biografie Hickory Wind of Nick Kents sublieme ‘Twilight in Babylon: The Rolling Stones after the Sixties’ voor sappige details.) Maar wat Janovitz vooral benadrukt is hoe het gebruik van Nellcôte als totaalstudio (niet alleen de zweetkelder waar de band repeteerde en opnam, maar ook hallen, kamers en verscholen hoeken) resulteerde in een caleidosonisch geluid. Een geluid waar professionele producers en opnametechnici met hun fetisj voor perfectie zich nog over verbazen maar die er juist voor zorgt dat Exile on Main St. klinkt als geen andere rockplaat. De muziek heeft een aura, een instant ouderdom, een warme waas, die je meestal buiten rock tegenkomt in de Black Ark producties van Lee “Scratch” Perry, of de eerste singles van Carl Craig.
Het grootste gedeelte van het boek(je) besteedt Janovitz aan de analyse van alle afzonderlijke tracks van het album. Het interessantst daarbij zijn de details die hij benoemd: mensen die per ongeluk tegen een microfoon aanlopen, een ongelukkig gebruik van een compressor en vooral de “spookstemmen”, overblijfsels van eerdere opnamen die onder de definitieve vocalen zijn blijven bestaan. Janovitz wijst er terecht op dat de structuur, van echte liedjes die worden afgewisseld met bluesmantra’s, zorgt voor het unieke karakter, het narratieve ritme van het album als het ware. Mick Jagger zelf blijkt terugkijkend sceptischer wanneer hij stelt dat Exile on Main St. “enigszins overgewaardeerd is en eigenlijk maar een paar goede liedjes kent.” Waarom is Jagger niet zo enthousiast? Aan de ene kant wordt de plaat vooral beschouwd als het project van Keith Richards en ontkom je niet aan het idee dat Jagger met enige afgunst keek naar de steeds grotere rol die zijn vriendschap met Gram Parsons speelde. Janovitz schrijft dat Exile on Main St. in zekere zin de inlossing is van Parsons’ visioen van “Cosmic American Music” en weet steeds aan te wijzen welke tradities in die synthese worden omgesmolten. Aan de andere kant probeert Janovitz duidelijk te maken dat juist Jagger in topvorm is, zijn teksten vol slimme woordgrappen en verwijzingen stopt en zeker aan het einde van de vierde plaat zich van zijn meest gevoelige kant laat zien. Zou de grote drager van maskers zich later misschien generen voor die momenten van zorg en “echte gevoelens”?
Het was volgens mij Martijn Ter Haar die ooit stelde dat “Exile mij te heroïne is.” Na lezing en weer herhaaldelijke beluistering van het album voelt dat teveel als een reductie. Te vaak klinken de Stones hier opgefokt, de vermoeide ballads en utopische verzuchtingen worden afgewisseld met pure amfetamine blues. Het is steeds vallen en, dit maakt Exile on Main St. superieur aan de meeste depri-dope albums, opstaan. Zoals Janovitz tegen het einde schrijft:
“Truth is, we all struggle. We all know friends, lovers, and family members for whom life is a fight against the shadows. Exile on Main St. is a masterpiece in part because, as with many classic rock & roll records, it makes us feel tat we’re not so alone. With the aid of Exile, we feel we can survive with dignity and no little style. Most of us, after all, have felt like exiles on our hometown’s Main Street.”
― Martijn Busink, Tuesday, 19 February 2008 12:07 (eighteen years ago)
superrrrr!
(heb je dat gedaan met die knop rechtsonder het commentaarveld?)
((commentaarveld.. wat een woord))
― clismo, Tuesday, 19 February 2008 12:11 (eighteen years ago)
Dat is een handige knop. :)
Oh ja Daydream Nation, wel informatief en eigenlijk wel gewoon de moeite waard maar iets te stoerdoenerig geschreven met fuck dit en fuck dat en die fucking gitaren...
― OMC, Tuesday, 19 February 2008 12:16 (eighteen years ago)
Ik ben wel fan van de serie, al varieën de kwaliteit en aanpak per auteur nogal.
zelf heb ik gelezen uit de serie: 1. Daydream Nation. Wat Omar zegt. 2. Trout Mask Replica. De beste die ik tot nutoe gelezen heb, ook omdat de auteur behalve van Beefheart ook iets zinnigs te schrijven heeft over de haat/liefde verhouding met Zappa. 3. Double Nickles on the Dime. Niet meer dan een track-by-track review. Wel informatief, want Mike Watt heeft zich ermee bemoeit. 4. Achtung Baby. Dit had mooi kunnen zijn, is het niet geworden. Geen woord over de band, geen woord tekst geciteerd van de lyrics.
Ik ben benieuwd naar de 'Sinister' uitgave van B&S. Iemand?
― EvR, Tuesday, 19 February 2008 12:56 (eighteen years ago)
Nee, plakken in textedit (notepad-achtig ultralight textprogramma'tje) 'zoek en verander' de <i> in het BB equivalent en dito voor de sluittags... 8)
I guess dat die knop onder dat commentaarveld iets dergelijks doet, maar ik heb er eigenlijk nog nooit over nagedacht waar die knop voor was. :)
― Martijn Busink, Tuesday, 19 February 2008 14:07 (eighteen years ago)
Guess what, die knop is daar inderdaad voor. Helaas heb je meestal al op 'submit' gedrukt als je erachter komt verkeerde code te hebben gebruikt. >:[
― Martijn Busink, Tuesday, 19 February 2008 14:08 (eighteen years ago)
Ik las, in min of meer herinnerde volgorde van minder tot heel leuk, <i>In Utero, Loveless, Paul's Boutique, Meat Is Murder</i> (semiautobionovelle van Joe Pernice) en <i>ABBA Gold</i>.
― Hiram, Tuesday, 19 February 2008 14:15 (eighteen years ago)
<;)>CRAP</;)>
― Hiram, Tuesday, 19 February 2008 14:17 (eighteen years ago)
Van dit Reign In Blood tipje van de sluier word ik trouwens niet echt enthousiast... Wat kun je er nu ook nog over zeggen behalve, ja inderdaad, "FUCKIN' SLAYER"? Het lijkt er in ieder geval niet op dat er een leuke subjectivistische invalshoek wordt gebruikt, wat misschien in dit geval wel de enige goede optie zou zijn geweest.
― Hiram, Tuesday, 19 February 2008 14:39 (eighteen years ago)
Oh ja die Celine Dion ga ik zeker nog lezen. Misschien dat ik nog een keer een gooi doe naar Paul's Boutique maar na het slappe There's A Riot Goin On heb ik het eigenlijk even gehad met de serie.
― OMC, Tuesday, 19 February 2008 14:45 (eighteen years ago)
Die over Céline is mijn favoriet tot nu toe. Ik lees trouwens net dat je alvast een preview kan ontvangen voor het boek over Master Of Reality.
Ha! Lekker met <> getikt en daarna op de conversieknop geklikt!
― clismo, Tuesday, 19 February 2008 15:19 (eighteen years ago)
LOL. Ik ook. Heerlijk. De techniek staat nergens meer voor tegenwoordig. :)
― OMC, Tuesday, 19 February 2008 15:25 (eighteen years ago)
Wat kun je er nu ook nog over zeggen behalve, ja inderdaad, "FUCKIN' SLAYER"?
Aldus, de Slayer alpha en omega. Metal Inquisition mag ook meteen in het blogosphere update rijtje; wat een pret, en al 125 posts in krap twee maanden!
― Hiram, Wednesday, 20 February 2008 21:18 (eighteen years ago)