Een verslag North Sea Jazz 2003. Gehoord: 11, 12, 13 juli.
North Sea Jazz was, is en zal er altijd zijn - ook na een eventualiteit in de categorie kernoorlog en ander ongemak. Als volmaakt autarkisch moloch en economisch vliegwiel voor de gemeente Den Haag heeft het weinig zin om bezwaren te koesteren tegen het braderie-gehalte dat onvermijdelijk bij deze categorie van muziekevenementen hoort. Bovendien is er ook voor de teerbeminden tussen alle bierstromen en worstwalmen veel moois te beluisteren.
Zo bood de Braziliaanse singer/songwriter Jorge Ben een sprankelend overzicht van zijn veertig jaar omspannende carrière. Buiten Brazilië alleen bekend vanwege zijn hits Mas, que nada en Taj Mahal, geldt Ben (vooral zijn klassieke elpees uit de jaren zestig en zeventig) momenteel in eigen land als groove-Fundgrube voor menige drum ‘n’ bossa-deejay. (let op dj marky tijdens Five Days Off!) Bens funky gitaarspel (niet zoals aangekondigd akoestisch, maar gewoon elektrisch) mag gelden als leerschool voor iedere aspirant funk-gitarist, zie de geniale riff van Ponta de lanca Africano (Umbabarauma).
Het hoort bij de jazzcultuur om getalenteerde instrumentalisten op een idioot hoog voetstuk te planten, maar Roy Hargrove is misschien beter af wanneer het hem weer eens lastig wordt gemaakt. Naar traditie tot in het oneindige gefêteerd door de organisatie, wandelt deze trompettist als een ongenaakbare sfinks van het ene podium naar de andere, soleert wat (jawel, met geniale timing en beheersing van om het even welk materiaal) en meldt zich bij de volgende gastheer. Niets is saaier dan absolute perfectie. Zo zagen we Hargrove bij Femi Kuti en Ramón Valle aanschuiven met een ronduit onverteerbare deceptie als resultaat. Terwijl Hargrove zich bij Valle al irritant onthecht van aardse beslommeringen toonde (contact zoeken met medemusici of publiek, al is het maar één oogopslag? Ach welnee, dat heeft de geïncarneerde trompetgod toch helemaal niet nodig), maakte Hargrove het bij Kuti wel heel erg bont. Met veel poeha worden aangekondigd, drie tamme noten als opmaat voor een solo die nooit zal komen eruit persen en dan weer de coulissen induiken - dat kunnen alleen de allergrootsten.
Ook het concert van de Cubaanse zanger Ibrahim Ferrer leverde ambivalente gevoelens op. Natuurlijk wens je deze sympathieke senior de wereld toe (dat lukt aardig, surfend op het immer voortdurende Buena Vista Social Club succes) en kan je niet anders dan bewondering hebben voor het speciaal voor hem samengestelde, fantastische orkest. De romige samenklank van de blazers, de wervelende ritmesectie - het is allemaal even indrukwekkend. Maar als je even kritisch naar zijn stem luistert, dan kun je niet anders dan concluderen dat we hier te maken hebben met een hype in zuivere vorm. Die wereldwijde appreciatie komt louter voort uit het gegeven van een anonieme Cubaanse oldtimer die zichzelf ineens tot wereldster ziet gebombardeerd. Leg een willekeurige opname van Beny Moré naast eentje van Ferrer en in één ooropslag is het verschil duidelijk. Amechtig happend naar adem tracht Ferrer tevergeefs nog de noten te halen die hij misschien veertig jaar geleden wist op te roepen. Stroef gooit hij er nog wat rudimentaire dansbewegingen tegenaan (en oogst hiermee direct een dolzinnig applaus), maar het mag allemaal niet baten. Een rilling van plaatsvervangende schaamte dient zich aan wanneer je deze man een tot de nok gevulde statenhal ziet behagen. Ook het idee van bolero’s in de statenhal is welbeschouwd een gotspe: deze zwijmelmuziek hoort thuis in een rokerige nachtclub, niet in een tot anonimiteit dwingende vliegtuighangar.
Onder de naam Electric Masada bood saxofonist, componist en provocateur extraordinaire John Zorn bewerkingen van het oeuvre dat hij voor Masada en Masada Chamber Ensemble schreef. Maar terwijl die twee formaties een duizelingwekkende en hoogst originele fusie bieden van Joodse, oriëntaalse muziek en freejazz à la Ornette Coleman, bleek de elektrische variant te grossieren in galmende symfonische rock, waarvan je dacht dat die door de punkbands toch echt voorgoed in een stoffig historisch kabinet was weggezet. Aan gitarist Marc Ribot kun je smaakvol gesoleer wel toevertrouwen en ook de Braziliaanse percussionist Cyro Baptista wist zelfs binnen dit rockstramien nog inspirerende accenten te plaatsen. Maar het verhield zich toch geenszins met de ongenadige swing en van levenslust doordrenkte melancholie die de twee voorgaande Masada-activiteiten van Zorn typeren.
© JAÏR TCHONG (14 juli 2003)
― Jaïr (jair), Monday, 14 July 2003 21:29 (twenty-two years ago)
Ja, dit las ik ook in Het Parool, beste Jair. Maar dit is Het Parool niet, dit is het forum van de Subs. Graag een duidelijke stelling, een krachtig geformuleerde mening (of moeten we het hier over het ego van Roy Hargrove hebben?), waar de lezertjes wat mee kunnen.
― Gzzzzzzzzzzzz, Tuesday, 15 July 2003 08:45 (twenty-two years ago)
Wat ik er leuk aan vind:
Altijd wel een paar geweldige dingen (zondag: Maceo met z'n allstar-band, Jimi Tenor Big Band) en de kans om een hoop andere muziek te checken. goeie muzikanten, goed eten, goeie geluidskwaliteit, goeie sfeer, goeie platenstalletjes (Sweat Band op vinyl gescoord voor een schappelijk prijsje) geen camping, geen modderig grasveld, geen boze mannen met gitaren, geen dronken boeren.
Als ik het zo teruglees is het nog leuker dan ik dacht!
Vido typt: Of beter: een antwoord op de vraag wat er zo leuk is aan North Sea Jazz.
― timmyhectic, Tuesday, 15 July 2003 14:04 (twenty-two years ago)